Mijn project: een jaar lang elke week iets nieuws doen. Iets dat ik nog nooit eerder heb gedaan, dus. Klein of groot, hilarisch of serieus, het maakt niet uit. En het geeft ook niet als ik iets doe dat heel veel andere mensen al lang hebben gedaan. Als het voor mij maar nieuw is. Dat is het plan, dat ga ik doen. Waarom? Omdat ik zin heb om mezelf 52 keer te (laten) verrassen. En dan kijken wat er gebeurt. En ook omdat 'Elke Week Iets Bekends' een stuk saaier zou zijn...
De spelregels: grote en kleinere nieuwe dingen wisselen elkaar af. Niet volgens een vast patroon, maar zo dat er op den duur een balans ontstaat tussen ‘groots & meeslepend’ en ‘huis, tuin & keuken’. Sommige nieuwe dingen zijn gepland, andere niet. Allemaal goed, nieuw is nieuw. Sommige nieuwe dingen zijn leuk, andere niet. C'est la vie, nieuw is nieuw. Smokkelen mag niet. Geen verzinsels opschrijven dus, of dingen die ik drie jaar geleden al eens een keer voor het eerst heb gedaan. Nieuw moet ook echt nieuw zijn. En tot slot: dit project is een experiment. Daarom moet er zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Het geeft niet wat. Als het maar inspireert, prikkelt en vooral...nieuwsgierig maakt.
maandag 22 november 2010
Week 13: appeltaartmeisjes
Nieuw woord: appeltaartmeisjes. Ik heb het niet zelf verzonnen. Een appeltaartmeisje is een meisje dat naast haar moeder heeft gestaan toen die een appeltaart bakte. Het meisje heeft goed opgelet en beweert nu dat ze zelf ook heel goed appeltaarten kan bakken. Maar ze heeft het nog nooit gedaan. Met als gevolg dat ze in het hele appeltaarten-bak proces regelmatig in paniek raakt. O jee, het deeg klontert! Wat nu? Help, hij koekt aan! Getver, hij is veel te nat! (ja duh, logisch, je hebt er veel te veel appels in gedaan. Doos.) Dat idee. De uitvinder van het woord gebruikte het om een aantal van haar jongere collega’s te karakteriseren. Niet om te sarren of vilein te wezen, maar gewoon, omdat ze het even helemaal gehad had met die hysterische appeltaartmeisjes met hun zelfverzekerde buitenkant en substantieloze binnenwerk, en met elke keer weer die kwaad weggesmeten bak met deeg op moeten ruimen en dan toch zelf maar weer een appeltaart bakken. Want ze weg sturen, die opgewonden standjes met hun taart-gepruts, dat durft niemand. Zucht. Maar ja. Het kan nog veel erger. Er zijn namelijk ook appeltaartjongens. Ook wel koekenbakkers genoemd. Koekenbakkers bakken er zelf echt totaal niks van (in tegenstelling tot appeltaartmeisjes, die kunnen heus wel wat, alleen niet alles, en het probleem is dat ze dat zelf vaak niet doorhebben), maar ze zeggen wel tegen anderen hoe dat werkt, koekjes bakken. Koekenbakkers schreeuwen vaak nog net iets harder dan appeltaartmeisjes. Ze plassen ook in brievenbussen en gooien met emmers water. En daarna zeggen ze sorry en ik schaam me. En dan mogen ze blijven. Want zo werkt het kennelijk vaak, in het appeltaartenkoekenbakkers universum. Zucht.
Week 12: verweiden
Ooit meegedaan aan een Running Dinner? Ik ook niet. Maar we hadden het straatfeest, de buurtpicknick, de herfstwandeling en de midzomerborrel ook al overgeslagen. Qua buurtgebeuren zijn wij blijkbaar niet zo sterk. Of we zijn gewoon op vakantie of bij vrienden. Maar nu deed de straat dus een Running Dinner, en wij vonden dat we er niet meer omheen konden. Zullen we dan zeggen dat we liever geen hoofdgerecht willen?, probeerde ik nog. Nee, zei mijn geliefde gedecideerd. Meedoen is meedoen, we gaan geen voorbehoud maken. Aldus geschiedde. We gaven ons op en kregen het hoofdgerecht. Ik zal het even uitleggen: een Running Dinner, dat is dat je bij het ene huis een voorgerecht krijgt, gemaakt door de heer en/of mevrouw des huizes. Vervolgens nuttig je het hoofdgerecht bij nummer twee (wij dus), en het toetje weer ergens anders. Per gang heb je een uurtje, en je zit steeds aan tafel met vier andere rennende eetgangers. In onze straat deden er zo’n zestig mensen mee, dus het was een heel gedoe met Excel sheets en rekenmodellen om de boel rond te breien. Zeker omdat menigeen had aangegeven dit keer liever geen hoofdgerecht te willen doen (dit schrijf ik op als sneer naar mijn geliefde, en ook om aan te geven dat er in mijn straat dus ieder jaar zo’n Running Dinner plaats vindt, en er inmiddels al echte Running-Dinner-Diehards zijn. Die mogen dan ook wel een keertje een toetje doen in plaats van een prestigieus hoofdgerecht op een bedje van iets ingewikkelds). Maar goed, hoe het ook zij, het was eigenlijk best leuk. En dan doel ik nog niet eens op de ongelooflijke culinaire creaties die ons al rennend werden voorgezet -een uur is best kort-, vooral door de mannen (wat is dat toch, mannen en koken? Kunstwerken van oesters, pata negra van een speciaal mannetje in ‘t Gooi, zelf gemaakte abdijkaas…pff! Allemaal overheerlijk, en toch denk ik onwillekeurig: relax mannen). Nee, ik bedoel vooral de nieuwe gezichten. Dat je erachter komt wie wie precies is. Of nou ja, precies…ongeveer dan, want het blijft kort, een uur. En toch kun je in een uur ontdekken dat iemand gewoon ontzettend aardig is. Of dat ze helemaal niet de zus van die en die is, zoals je steeds hebt gedacht. Of dat er in een weiland achter je straat Drentse heideschapen staan. En dat die verzorgd worden door de mensen uit je straat. Echt waar. Ze worden om de zoveel tijd verplaatst, die schapen. Van het ene naar het andere weitje. Verweiden noemen ze dat. Dan kunnen ze weer lekker vers gras grazen, en het is weer eens wat anders, zo’n nieuw weitje. Na afloop van het Running Dinner hebben we nog vrolijk nageborreld in de kroeg aan de overkant. Dat leverde nog meer nieuwe ontmoetingen op. De gedistingeerde oudere meneer van nummer 110, keurig beschonken en stilletjes meewiegend op de muziek. De lieve mevrouw van nummer 12, die zelf vilt maakt van de heideschapenwol. Het yuppenstel van nummer 146, dat dikke maatjes is met de oudere jongeren van nummer 150, die het huis al bewoonden toen het nog een commune was. Kom uit je huis en er gaat een wereld voor je open. Ik snap het wel, dat van die schapen. Zo af en toe verweiden doet je goed.
zondag 24 oktober 2010
week 11: bezinnen
Tien weken onderweg met Elke Week Iets Nieuws. Mooi moment voor een eerste bezinning. Er moet immers zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Hoe lopen de zaken? Valt er al iets te vast te stellen? In ieder geval dat het nog best een tour is, om elke week iets nieuws te doen. Ik vind mezelf best wel ondernemend en avontuurlijk en outgoing en zo, en toch. De waan van de dag, dagelijkse beslommeringen, het genoegen van de vaste routines, ze maken het de nieuwsgierigheid niet altijd even makkelijk. Voor je het weet vergeet je om iets nieuws te doen, of heb je er gewoon even geen zin in. Maar ja. Afgelopen week was ik bij een begrafenis. De begrafenis van een vriendin van een heel goede vriend. Ze was zelf uit het leven gestapt, na jaren van ziek en bang zijn. Ontzettend dapper heeft ze geprobeerd haar demonen de baas te worden. Maar in een onbewaakt moment deelden die toch de genadeklap uit. Ze was bijzonder en lief, deze vriendin van mijn vriend. Tijdens de dienst vertelde hij dat ze, ondanks al haar problemen en angst, altijd benieuwd was naar hoe het met hem ging. Dat ze daar naar vroeg, dat ze meeleefde en oprecht nieuwsgierig was. En dat hij, als hij bij haar op de koffie ging, altijd het mooie kopje kreeg - ze nam zelf die met de barst erin. Ze had veel liefde in huis, deze vrouw. In het afscheidsboekje dat voor haar was gemaakt, stond dat ze zich, nog niet zolang geleden, een paar dingen had voorgenomen. Ze wilde er weer op uit, met de bus naar een museum. Of zelf een boodschap doen. En ze wilde elke week iets nieuws ondernemen. Ik voelde een schokje toen ik dat las. Ondanks alles wat haar in de weg zat, wilde ze uiteindelijk dus gewoon hetzelfde als ik: leven, dingen meemaken en zoveel mogelijk ontdekken. Als je ervoor kunt kiezen om elke week iets nieuws te doen dan is dat geluk, realiseerde ik me nog maar eens. Mijn blog is vanaf nu dus ook een beetje voor haar. Uit eerbied, en omdat ze de wereld zoveel te bieden had met haar liefde en haar nieuwsgierigheid.
woensdag 20 oktober 2010
week 10: engelen van het duister
Kennismaking met straatgenoten, schuin aan de overkant. Ik belde bij ze aan, om een pakje op te halen dat bij hen was afgeleverd omdat ik niet thuis was. De schuin-overbuurman overhandigde mij het pakketje en stelde zich toen voor. Rik. Maar we kennen elkaar toch al een beetje?, zei ik. Uit de kroeg aan de overkant? O ja, dat was waar ook, zei Rik. Rik vergeet dingen, mede door een nogal buitensporige alcohol consumptie. Achter hem in de deuropening doemde zijn vrouw op. Zij stelde zich ook voor. Hanna. Net als Rik was haar toon een tikje onvast en stonden haar ogen wat waterig. Jaja, ze kende me wel, maar toch leuk om echt even kennis te maken, zei ze. En trouwens, ik zit behoorlijk in de lappenmand, ging ze verder. En toen vertelde ze me dat ze net een nare uitslag had gekregen van het ziekenhuis. En ze vroeg of ik een glaasje wijn wilde. Ik zei ja, en zo belandde ik op de sky lederen bank bij Rik en Hanna. In het uur dat ik daar heb gezeten, werd ik getrakteerd op een schier eindeloze reeks van treurige anekdotes. Het ene verhaal na het andere vertelden ze me, elkaar corrigerend en in de rede vallend zoals je zo vaak ziet bij gelieven die al heel lang bij elkaar zijn ('nee Rik, laat mij nou even, je vertelt het helemaal verkeerd'). Over ziektes ging het en ongelukkige ervaringen in de vroege jeugd. Over tragische auto ongelukken en zelfmoorden. Over broers, moeders, en afgewezen minnaars en minnaressen, van wie de sepia foto's op een rijtje in de boekenkast stonden. Over kleinkinderen, van wie Rik de namen even niet meer wist. Over de knotsgekke mevrouw Kapteijn, die jarenlang ook in de straat heeft gewoond en de hele buurt terroriseerde met haar gekrijs en haar gedoe. Het ging maar door, ze moesten het allemaal kwijt. Ik stelde me ineens voor dat Rik en Hanna me zouden gijzelen en dagenlang zouden doorpraten, terwijl ze me het ene vieze glas wijn na het andere inschonken en zelf vier keer zo snel dronken als ik. Ze hebben natuurlijk een deal met de pakjes bezorgers, realiseerde ik me. Tegen een kleine vergoeding droppen die alle pakjes voor de buurt bij Rik en Hanna. Zodat er op gezette tijden iemand aanbelt. Die trekken ze dan naar binnen. En dan gieten ze hun argeloze slachtoffer vol met inktzwarte wijn en dito verhalen. Brr. Ik stond op en nam afscheid. Ik kreeg van allebei drie zoenen. Op weg naar de voordeur viel mijn oog op een boek dat op tafel lag. ‘Engelen van het Duister’, van Jan Siebelink. Passend beeld, vond ik. En toch. Het zijn goeie mensen, deze straatgenoten, weggelopen uit een verhaal van Roald Dahl of een lied van Ramses Shaffy, met al hun tragiek en hun intense behoefte aan iemand die luistert en meedrinkt. Compassie is een mooi ding.
donderdag 14 oktober 2010
week 9: fijn fietsen
Als het om sporten gaat, ben ik een gespleten persoonlijkheid. Geef me een bal en ik kan er van alles mee: tennissen, squash, hockey, voetbal. Allemaal leuk, en ik ben er nog aardig goed in ook. Hetzelfde geldt voor hard rennen, en spieren trainen op apparaten. Maar. Het gaat mis als ik iets gymnastisch moet doen. Hou me ten goede, aan mijn lenigheid ligt het niet. Ik raak met gemak vanuit voorover gebogen stand mijn tenen aan en doe fluitend de lotuszit. Als ik de krant lees, liefst op de grond, vouw ik mijn benen onder mijn lijf als een elastiekje. Aan souplesse geen gebrek dus. Ik ben alleen een tikje onhandig. En bovendien lichtelijk bang uitgevallen. Vandaar dat ik op school geen sprong over de bok durfde te maken. En het maar niet voor elkaar kreeg om fatsoenlijk in een touw te klimmen (te hoog), een koprol over de kast te maken (te eng), of een vogelnestje te doen in de ringen (te complex). Ik heb het ook met paardrijden (hoe kom je in vredesnaam zo’n paard op?) en met abseilen (nog nooit gedaan). Dus vandaar dat het voor mij een hele prestatie was om voorop een fiets te gaan zitten. Voorop ja. Op zo’n hippe fiets met een plankje voor het stuur, waar je dan zo’n hip kratje op kunt zetten en een hip hondje in kunt doen. Of boodschappen. Dat kratje zat er niet op, dus ik kon er zo opspringen. Qua souplesse een makkie, maar voor mij als onhandig en licht neurotisch gymnastisch type een risicovolle onderneming. Toch gedaan dus, omdat het stiekem nog op mijn lijstje stond van nieuwe dingen om te doen. Het leek me zo fijn, iemand achter je te voelen die stuurt en de boel in evenwicht houdt, en jij dan voorop met de wind in je haren en je benen vooruit. Het was inderdaad precies zo fijn als ik dacht. En ik zeg lekker niet wie er fietste.
dinsdag 12 oktober 2010
week 8: down sizen
Ook nog nooit gedaan: kopje koffie met een meisje met Down. Of nou ja, meisje, ik schat haar een jaar of dertig. Is vaak moeilijk te zeggen. Maar haar moeder is erbij en die schat ik ergens midden zestig. Ik zit op een terras en er is nog maar één tafeltje bij het water. Bij de vissen. Die wil ze zien, het meisje. Maar ja, ik zit al aan dat tafeltje, en dus vraagt de moeder of het goed is als ze erbij komen. Tuurlijk. We kletsen een beetje. Over de vissen en over de cappuccino. Ik eet een tosti, het meisje een hazelnootgebakje met een platgeslagen chocolade eekhoorn er op. Die eekhoorn vindt ze niks, het gebakje gaat er aardig in. Ze zit in een rolstoel, er ligt een blauw dekentje op haar schoot. Moeder en dochter zijn allebei een beetje verlegen, dus ik dring niet aan en buig me weer over mijn krantje. Ik lees een ingezonden brief van een chronisch zieke jongen met een Wajong uitkering. Hij is bezorgd, nee, hij is boos over het feit dat die uitkering waarschijnlijk wordt weg bezuinigd door die kloeke nieuwe bestuurders met hun ferme wil. Als dat gebeurt, is de kans groot dat hij moet stoppen met zijn universitaire studie. Want hoe betaalt hij dan zijn dieet, de aanpassingen in zijn studentenkamer, zijn medicijnen, zijn vervoer naar de college zalen? Een bijbaantje nemen lukt niet en zijn ouders zijn niet rijk, schrijft hij. Zijn voorland: stoppen met studeren en in een sociale werkplaats fysiek werk gaan doen. Lekker dan, schrijft hij er bij, word ik nog zieker. Hij snapt heus wel dat we moeten bezuinigen, kaasschaven en down sizen, maar dit is te gek voor woorden. Hij is echt boos, deze jongen. Ondertussen is het hazelnootgebakje op. De dames vertrekken weer. Het meisje vertelt me nog dat ze het wel leuk vindt, terrassen, maar het duurt altijd zo lang. Interessante observatie. Het is een gedoe, met een rolstoel tussen alles en iedereen door. Ik schuif wat tafeltjes opzij en vraag of het lukt zo. ‘Ja hoor, we vinden wel een uitweg, zegt de moeder. ‘Hebben we altijd gedaan, toch?’ Ze knikt nog even en wenst mij een prettige dag. Zo zit het precies, realiseer ik me. Als je iets hebt moet je steeds vaker zelf maar zien dat je een uitweg vindt. Ik schuif de krant opzij en stop de chocolade eekhoorn in mijn mond. Het helpt niet. Deze nieuwe ontmoeting laat me zeker nog een uur zitten met een zeurend gevoel van downerigheid.
zaterdag 2 oktober 2010
week 7: glamour in Utrecht
Mijn stad en de film. Al jaren geniet ik van ons eigen leuke knusse festival, maar niet eerder had ik de glitter van zo dichtbij aanschouwd. We gingen naar de jubileumavond. Het filmfestival werd 30 en mijn lief had kaarten. Vóór ons Willeke van Ammelrooij, naast ons Ronald Giphart (ook een filmicoon), links Renée Soutendijk en ergens rechtsachter Barry Atsma (die in zijn eentje zorgt voor de glamourisering van Leidsche Rijn, als ik me niet vergis). Veel mensen droegen een gouden omslagdoek, omdat ze hadden meegelopen in de plechtige processie van het Gouden Kalf door onze Domstad. Het was een typisch Utrechtse glamour-doek, vond ik. Mooi, maar niet schreeuwerig om aandacht vragend (had van mij best ietsje meer gemogen) en nog duurzaam ook, want heel goed opnieuw te gebruiken (de gouden bruiloft van je ouders? En wat te denken van een leuk patchwork knutselkussen voor je kind?). Tja, glamour in Utrecht. Dat is een rode loper met een best wel klein kluitje mensen, die het machtig vinden, al die celebreties in hun stadsie. En dan 100 meter verderop een fietsenzaak. Je kunt die zaak zo ongeveer zien vanaf de loper. ‘Hei-bike, betaalbaar fietsen’. Dus niet ‘lekker fietsen’, of ‘keihard fietsen’, of ‘super mooi en gaaf fietsen’, maar ‘betaalbaar fietsen’. Doe maar niet te duur, ga gewoon een beetje voordelig fietsen. Says it all. Als je wegloopt van die rode loper bij de Utrechtse schouwburg, het maakt niet uit welke kant op, dan is de glamour letterlijk binnen een minuut verdwenen. Dan is het fietsenzaak, dierenwinkel, Japans eettentje met roze porseleinen poesjes in de etalage, en verder geen drukte. In Utrecht zijn we bescheiden trots. Geen briesende stier, maar een aardig kalfje. Glamour in Utrecht, ik hou ervan.
week 6: leesboek
Je kunt ‘m natuurlijk ook gewoon lezen, dacht ik. De Koran. Het is tenslotte een boek. Met een boek kun je van alles. Er een mening over hebben zonder dat je het gelezen hebt, bijvoorbeeld. Of het in brand steken. Of heel hard roepen dat je het in brand gaat steken en het dan uiteindelijk toch niet doen (maar wel het wereldnieuws halen en daarmee schepper worden van je eigen finest hour). Je kunt er ook bladzijden uit scheuren en dat dan filmen en een hoop politieke opschudding veroorzaken en stemmen trekken. Maar je kunt het dus ook lezen. Ik ben er aan begonnen. Valt niet mee, moet ik zeggen. Ik heb de vertaling van Kader Abdollah, die de teksten niet alleen heeft vertaald (hee, alweer iets dat je kunt met een boek!), maar ook door elkaar heeft gehusseld, zodat de levensloop van de Profeet zich in een enigszins (chrono)logische volgorde aan ons ontvouwt. Het is een hele toestand geweest, die levensloop. Het lijkt alsof de Profeet er met het verstrijken der jaren niet milder op werd (doet me een beetje denken aan de ontwikkeling die sommige Nederlandse politici doormaken). Zijn geloof was een soort ‘fusion’ van het joden- en christendom, inclusief Abraham en de Engel Gabriël. Ik vind de Koran een moeilijk boek. In de vertaling van Kader staat dat de Almachtige lief is, geeft en vergeeft. En ook dat je goede daden moet doen, zoals brood aan de armen geven en wezen in je huis opnemen. Daar kan toch niet zo gek veel mis mee zijn, denk ik dan (hoewel dat laatste, van die wezen in je huis, dat is waarschijnlijk één van de punten waarop sommige Nederlandse politici zo flippen. Nederland is immers van de Nederlanders, en die wezen, ja zeg, zoek het uit!). Maar ja, er staat ook het nodige in over vuur en kettingen voor ongelovigen en meer van dat soort strijdlustigheden. Het lijkt warempel wel het Oude Testament. Daar snap ik ook al niet veel van, met al die eerstgeborenen die een kopje kleiner worden gemaakt, broers die elkaar in de haren vliegen, slachtpartijen en instortende muren, en nog meer vreselijke straffen voor wie niet wil deugen. Al met al hoop ik maar dat niet te veel mensen doen wat je volgens mij in ieder geval niet moet doen met dit soort boeken: ze letterlijk nemen en er verder niet meer over nadenken. Ik ben inmiddels bij de 19e soera. Ik lees aandachtig verder.
maandag 13 september 2010
Week 5: jeu de boules in schotland
Altijd verfrissend om even de grens over te kijken. Schotland deze keer. Glasgow. Wat is er veel dat ik niet wist over deze stad en de mensen die er wonen. De stad: van een afstandje geen beauty. Er loopt een snelweg dwars doorheen en het staat er vol met lelijke gebouwen. Maar als je iets beter kijkt zie je zo nu en dan een art deco juweel, ontworpen door Charles Rennie Macintosh. Charles Rennie, geboren in 1868, was een zeer getalenteerd architecht en kunstenaar. Hij heeft de Glasgow School of Arts gemaakt. De lift is daar een Japanse lampion, en Rennie wilde ook dat in de houten vazen bij de deurposten van de ateliers elke dag verse rode rozen werden gezet. Want, zo vond Rennie, de natuur is de hoogste vorm van kunst. Jaja, schoonheid in Glasgow. Ook in de tearoom van Rennie's hand, waar het zomaar kan gebeuren dat je een oud vrouwtje in haar eentje ziet zitten aan een sjiek tafeltje, alwaar ze, na het verorberen van een mierzoet citroentaartje, ongegeneerd twee boeren laat. Dat brengt me vanzelf bij de mensen in Glasgow. Wat zijn ze leuk. Ik wil niet slijmen (hou zelf niet van dat mierzoete), maar dit viel echt op. Iedereen is aardig en wil met je kletsen. Zelfs in de schoenenzaak waar wij niets kochten werden we lachend uitgezwaaid door het voltallige personeel. Taxichauffeurs worden je vrienden in Glasgow. En de dame van de toeristische bustour (tja, je moet toch elke week iets nieuws doen) zorgde er persoonlijk voor dat die bus, vol met Amerikaanse toeristen, speciaal voor ons een eindje om reed, want wij wilden naar het station. 'John, can you make a turn please, for these two Dutch girls?', riep ze charmant in haar microfoon. Heerlijk, Glasgow. Ze doen er ook een soort jeu de boules, met hele grote zwarte ballen op een strak groen grasveldje. En als ze klaar zijn met een spelletje, dan kijken ze niet wie er het dichtst bij het kleinste balletje ligt. Daar gaat het kennelijk niet om. Het gaat om de fun. I love Glasgow. Dus. Tip van de week: ga eens naar een best lelijke, vreemde stad, en ontdek hoe leuk het er kan zijn.
dinsdag 7 september 2010
Week 4: goeie groep
Afgelopen week heb ik een goeie groepssessie gehad (ja, afgelopen week, alleen zie ik nu pas kans erover te schrijven. Voor de oplettende lezer: ik loop dus op schema, qua Elke Week Iets Nieuws). Dat was voor het eerst. Niet dat ik nooit eerder plezier beleefd heb aan dingen doen met groepen hoor, dat is het niet. Groepen zijn (soms) best OK. Maar vaak ook ingewikkeld, vind ik. Vooral als er iets therapeuterigs mee moet gebeuren. Niet dat ik dat ooit gedaan heb trouwens, dus wat weet ik er eigenlijk van. Herstel, wat wist ik er eigenlijk van. Want afgelopen week heb ik dus voor het eerst in mijn leven iets therapeuterigs gedaan met een groep. Waarom? Omdat ik, jawel, nieuwsgierig was. En was het goed? Ja. Zowaar. Veel van mijn vooroordelen over soft gedoe, enge toestanden met wierook, paarse jurken en elkaar na afloop heel genant moeten omhelzen bleken totale onzin. Let wel, veel van mijn vooroordelen. Sommige dingen klopten. En toch was het een goeie sessie. Misschien kwam dat omdat ik me had voorgenomen er met open vizier naartoe te gaan. Ja, dat was het, denk ik. En verder zeg ik er lekker niks over.
zaterdag 28 augustus 2010
Week 3: Cubaanse flessenpost
Eigenlijk is flessenpost natuurlijk iets ouds. En wat ik deze week doe, is ook niet echt flessenpost. Maar wel iets dat er op lijkt. Ik heb foto's en een brief in een envelop gestopt en daar een heel vaag Cubaans adres op geschreven. Straatnamen en huisnummers heb ik namelijk niet, en ook de achternamen van de beoogde ontvangers van mijn post zijn mij onbekend. Ik vraag Leo om mijn envelop op de bus te doen op Cuba. Is ie tenminste al een stukkie op weg. Ik ken Leo sinds kort. Hij gaat binnenkort, zoals elk jaar, naar Cuba. Niet naar foute all-inclusive toeristenoorden, maar naar kleine dorpen en stadjes. Daar heeft hij vrienden. En die zoekt hij graag op. Twee jaar geleden waren wij zelf op Cuba. We hebben een deel van het eiland doorkruist in een autootje, dat het uiteindelijk pruttelend en hortend en stotend begaf. Dat gebeurde in een afgelegen dorp met een paar straten en een benzinepomp. Bij die pomp zijn we hulp gaan vragen. Ene Abelardo wist daar te vertellen dat zijn vriend Noel veel verstand had van auto's. De mensen van de benzinepomp knikten. Ja, Noel, die weet alles van auto's. Maar Noel was helaas net weg op zijn motor. Geen nood. Abelardo sprong op zijn mountain bike en keerde een half uur later terug. Met Noel. Beide mannen hebben drie uur lang geprobeerd onze auto weer aan de praat te krijgen. Tevergeefs. Toen hebben ze ons geholpen met het bellen van het autoverhuur-bedrijf. We moesten immers verder. Zoiets valt niet mee op Cuba, maar het is gelukt. Dankzij Noel en Abelardo. Toen de norse mannen van Cuba-Car Rent arriveerden, bleven ze er als havikken bij staan om zeker te weten dat ons geen oor aan genaaid zou worden. Ze goten de benzine van ons oude barreltje met behulp van een slang eigenhandig over in de vervangende auto. Ze wilden niks van ons hebben. Ze zwaaiden ons uit. Toen we uiteindelijk 's avonds laat aankwamen in ons pension, bleken ze gebeld te hebben om te checken of we wel goed waren aangekomen Ik heb nog een tijdje af en toe met ze gemaild, maar uiteindelijk kreeg ik geen reactie meer. En dus stop ik nu de foto's van onze ontmoeting in een envelop, waar alleen maar op staat: 'Aan Noel en Abelardo, Benzinepomp, Contramaestre, Cuba'. Mijn allereerste flessenpost, met hulp van Leo. Ik hoop dat ik aanspoel.
zondag 22 augustus 2010
Week 2: première
Nog nooit bij een filmpremière geweest, nu dus wel: "The Beagle, the movie", in het Muziekgebouw aan het IJ. We krijgen een polsbandje om van de VPRO (da's ook nieuw, maar dat zit inbegrepen bij deze geheel nieuwe ervaring). Het Muziekgebouw is hip en groot en druk en warm, en een goed biertje tappen kunnen ze er niet. Daarom drinken wij rosé (gratis, vanwege dat polsbandje), op de tweede etage, met heel veel glas rondom. Om ons heen: bootjes, boten, schepen, schuitjes, sloepen, schoeners, jachten, pontjes. Sail. We ontmoeten die avond allerlei mensen. Een ervan: een gepensioneerde GGZ arts. Met haar praat ik over hoe mooi de film is. Vooral omdat, zo vond zij, hij aanzet tot nadenken. Ze vond ook dat 'nadenken', 'verwonderen' en 'nieuwsgierig zijn' tegenwoordig zwaar ondergewaardeerd worden. De mensen willen steeds minder weten, zei ze. Dat deed haar pijn. Het leven wordt er zo saai en vlak van, stelde ze vast. Ik verzin dit niet, ze zei het echt. En daarmee gaf ze het project 'Elke Week Iets Nieuws' zonder dat ze het in de gaten had een aanmoediging van jewelste.
vrijdag 20 augustus 2010
Week 1: de bushalte
Vandaag sta ik bij de bushalte vlakbij mijn huis. De bus laat op zich wachten. Het wordt steeds drukker bij de halte en ik word aangesproken door een meneer en zijn dochter. Of het klopt dat de bus die hier zo langs komt naar het Centraal Station gaat, willen ze weten. Ik zeg ja, en we raken aan de praat. Als na bijna vijfentwintig minuten de bus er nog steeds niet is, begin ik het raar te vinden. En vervelend bovendien, want ik heb een afspraak. Dit alles deel ik met mijn nieuwe halte-kennissen, de meneer en zijn dochter. Na een dik half uur besluit ik om toch maar met de auto naar het centrum te gaan. Ik bied de meneer en zijn dochter een lift aan, ik kom praktisch langs het station. Ze zijn blij met het aanbod, ze moeten nog een heel eind met de trein en dit scheelt ze een hoop tijd en gedoe. Ze stellen zich voor: hij heet Hans, zij Brigit. Het is een gezellige boel als we naar de auto lopen, en ook tijdens het ritje naar de stad is het plezierig toeven met Hans en Brigit. We vertellen elkaar wie we zo'n beetje zijn en wat we doen. Brigit gaat studeren in Amsterdam. Hans is stoer, hij heeft een Landrover en een paar broers. En gelukkig ook veel zelfspot, een fijne combinatie. Hans is uitvinder. Echt waar. En dan niet van lullige onbruikbare hulpstukken voor stofzuigers of staafmixers, maar van knappe technische dingen. Koppelingen voor in een F-zestien, dat werk. Brigit zegt dat het kei handig is, zo'n slimme papa (Hans en Brigit komen uit Brabant). Ze bedanken me als ik ze vlakbij het station afzet. Maar ik wil hen bedanken: dankzij hen realiseer ik me dat het kei leuk kan zijn (ik kom ook uit Brabant) om iets te doen dat je nog nooit hebt gedaan (ik heb nog nooit twee mensen meegenomen van een bushalte en ze daarna een lift gegeven naar het station). Dus het project 'Elke Week Iets Nieuws' komt mede tot stand dankzij mijn vrolijke ontmoeting met zomaar een vader en een dochter bij een bushalte. En dankzij de haperende dienstregeling van bus 4. Hans, Brigit, en het Utrechtse busvervoer: kei bedankt.
Abonneren op:
Posts (Atom)