De spelregels: grote en kleinere nieuwe dingen wisselen elkaar af. Niet volgens een vast patroon, maar zo dat er op den duur een balans ontstaat tussen ‘groots & meeslepend’ en ‘huis, tuin & keuken’. Sommige nieuwe dingen zijn gepland, andere niet. Allemaal goed, nieuw is nieuw. Sommige nieuwe dingen zijn leuk, andere niet. C'est la vie, nieuw is nieuw. Smokkelen mag niet. Geen verzinsels opschrijven dus, of dingen die ik drie jaar geleden al eens een keer voor het eerst heb gedaan. Nieuw moet ook echt nieuw zijn. En tot slot: dit project is een experiment. Daarom moet er zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Het geeft niet wat. Als het maar inspireert, prikkelt en vooral...nieuwsgierig maakt.

donderdag 21 april 2011

week 24: tegenpolen

Wat weet ik van polen? Niet zo veel. Dat ze goed kunnen stucen voor weinig. Althans, dat geldt voor de polen die ik ken. En dat zijn er een stuk of drie. Het is ook niet zo dat ik ze goed ken, die drie. Ik ken ze van het achterwandje van mijn badkamer. Verder niet. Ik weet dus helemaal niks van polen. Onlangs was ik voor het eerst in mijn leven in Krakau. Daar stelde ik vast dat polen over het algemeen vriendelijk zijn en in voor een geintje. En ook dat ze, inderdaad, wist ik wel, nog altijd heel erg gek zijn op hun paus. De meeste polen die ik heb gezien kunnen stevig drinken en eten. Vooral dingen met veel brooddeeg en vlees, en dat dan in onwaarschijnlijk grote porties. Ze zijn ook best relaxt, leek mij. Zo klonk tijdens een busrit ineens een heel harde knal en bleek er iets goed mis te zijn met de rechter achterband. Waarop onze buschauffeur kalm stopte, uitstapte (gevolgd door drie grinnikende Poolse passagiers), even tegen de band schopte en vervolgens weer rustig doorreed. Dat zou bij ons vast anders gaan. Ik zie het alternatieve vervoer al voor me, in allerijl geregeld, mensen toch boos, files achter de bus, Standpunt NL en ga zo maar door. Maar het grootste contrast tussen polen en ons zit ‘m in het haar. Een poolse dame vertelde ons dat polen sowieso nooit met nat haar de deur uit gaan, omdat je dan kou kunt vatten. Bovendien vinden ze het stom en onverzorgd. Dat wij dat hier massaal wel doen (ben er zelf ook zeer goed in, net onder de douche uit, en hup, op de fiets of in de auto, met alle gevolgen van dien voor het kapsel), daar snappen ze niks van. En al die gel, dat is helemaal debiel, zo ging de poolse verder. Polen doen nooit gel in hun haar. Ik ging er er op letten, en verdomd. Nergens een kloddertje te bekennen. Polen vinden gel viezig en klef. Haren moeten droog zijn en wapperen. Ik zie een gouden Poolse carrière voor Hans Klok.

week 23: Lonnie (geschreven voor Nightwriters, en dat was nieuw)

Mijn oude combi-oven. Meeverhuisd vanaf mijn eerste studentenkamer. Hij moest eindelijk maar eens weg. Markplaats. Met de hoogst biedende mevrouw (onvoorstelbaar, wie wil dat ding nou hebben?), spreek ik af op de parkeerplaats van industrieterrein de Bromtol. Ik rijd erheen en voel een lichte opwinding: markplaatsen is nieuw voor mij. Ze belt, ze is er al. Ineens krijg ik het warm. Mijn oude combi-oven. Tientallen Lonnies (bestaan die nog?), pizza’s en kleffe ovenschotels heeft hij grootmoedig verwarmd in zijn vierkante buikje. En hij is niet eens stuk. Ik zie een beige Twingo. Zij staat ernaast en zwaait blij. Voor ik het weet, keer ik om en scheur weg. Ik durf niet in mijn achteruitkijkspiegel te kijken.

zaterdag 16 april 2011

week 22: bermgebed

Tanken, ergens op A16 bij Dordrecht. In de berm naast het benzinestation staat een meneer bij zijn auto. Vóór hem ligt een kleedje. Terwijl ik tank, zie ik hem prevelen. Hij knielt, buigt voorover en kust het kleedje. Ik zit inmiddels op 15 liter, hij staat op, blijft prevelen en knielt dan weer. Volledige concentratie, terwijl de file voorbij glijdt en er verbaasd wordt gekeken door automobilisten en mede-tankers. Ik ga betalen en loop terug naar mijn auto. De meneer is klaar en heeft iets te drinken gehaald. Ik vraag hem of hij aan het bidden was en hij knikt van ja. Best een stomme vraag eigenlijk, realiseer ik me. Duh. Het zag er niet bepaald uit als pottenbakken of free fighten, wat hij daar stond te doen in die berm. Maar goed, ik wist even niet zo gauw een openingszin, dat heb je soms. Lukt dat dan wel, hier, eh...zo?, informeer ik. Ja hoor, dat lukt prima, als je je maar goed naar het oosten richt. Bidt hij wel eens vaker op rare plaatsen? Uiteraard, is het antwoord. Als je vijf keer per dag wilt bidden moet je flexibel zijn. En als je dan bijvoorbeeld in een vliegtuig zit? Of in een bus? Geen punt, zegt de vriendelijke meneer, dan buig je gewoon wat minder ver voorover, is allemaal OK. Dus het gaat om de intentie? Yes!, zegt hij met een grote grijns en hij geeft mij een high five. Valt er nog enige lering te trekken uit dit verhaal? Geen idee. Behalve dan wellicht dat je met een berm dus blijkbaar meer kan dan er bommen in plaatsen of er in gaan zitten met een koelbox en een campingstoeltje. Ik zwaai nog even naar de meneer en sluit dan weer aan bij de file op de A16.