De spelregels: grote en kleinere nieuwe dingen wisselen elkaar af. Niet volgens een vast patroon, maar zo dat er op den duur een balans ontstaat tussen ‘groots & meeslepend’ en ‘huis, tuin & keuken’. Sommige nieuwe dingen zijn gepland, andere niet. Allemaal goed, nieuw is nieuw. Sommige nieuwe dingen zijn leuk, andere niet. C'est la vie, nieuw is nieuw. Smokkelen mag niet. Geen verzinsels opschrijven dus, of dingen die ik drie jaar geleden al eens een keer voor het eerst heb gedaan. Nieuw moet ook echt nieuw zijn. En tot slot: dit project is een experiment. Daarom moet er zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Het geeft niet wat. Als het maar inspireert, prikkelt en vooral...nieuwsgierig maakt.

dinsdag 3 mei 2011

week 25: blaas

Voor het eerst in mijn leven meegedaan aan een wedstrijdloop. Een estafetteloop, om precies te zijn. Dat is een wedstrijd die je met een groepje doet. Je knipt een marathon in zes stukjes, en iedereen doet dan één zo’n stukje. Gelukkig waren het zes ongelijke stukjes, dus ik hoefde maar 5,5 kilometer. Ik heb ontdekt dat ik best in staat ben 5,5, kilometer hard te lopen, ook als 5,5 eigenlijk 6 kilometer blijkt te zijn en het 27 graden is (en die zere knie, ach. Kniesoor, zeg ik). Tijdens de paar trainingsrondjes die ik deed voor mijn debuut als estafetteloopster had ik al ontdekt dat ik vaak moet plassen tijdens het rennen, ook als ik vlak daarvoor nog geweest ben. Rare blaas. En op de dag zelf kwam ik erachter dat iedereen heel zenuwachtig is voor de start. Misschien wisten ze dat bij de organisatie, en hadden ze er daarom van alles aan gedaan om het gezellig te maken op het knusse dorpspleintje waar ons startpunt was. Daar waren kraampjes neergezet waar je vers fruit en drinken kon halen, er hingen vlaggen en er speelde een dweilorkestje. Er was ook een chemisch toilet, met een lange rij lopers ervoor. Allemaal zenuwachtig, of ook een rare blaas. Of allebei. Na een tijdje nam het orkestje even pauze. En terwijl ik wachtte op mijn startmoment, kwam de trombonist naast mij staan. Met zijn vrouw en zoon. De vrouw en zoon waren dik, keken stuurs en aten patat. De trombonist was alleen dik. En groot. Ik vertelde hem dat ik het een super gaaf instrument vond, trombone. Dat vond hij ook. ‘Het is het mooiste instrument dat er bestaat’, zei hij glunderend. ‘Nou, dat valt wel mee hoor’, zei zijn vrouw. ‘Ik vind het een hoop herrie, dat geblaas op zo’n ding. Dat vind ik’. ‘O’, stamelde ik beduusd. ‘En als hij dan moet oefenen?’ ‘Dat doet ie godzijdank maar één keer per week’, antwoordde zij. ‘In het buurthuis hoor, niet thuis’, voegde hij er haastig aan toe. Ik keek naar de vrouw en de zoon met de patat en naar de grote dikke man met de trombone en voelde iets droevigs. Heel even maar. Toen moest ik starten. Ik begon te rennen en moest meteen.