Mijn project: een jaar lang elke week iets nieuws doen. Iets dat ik nog nooit eerder heb gedaan, dus. Klein of groot, hilarisch of serieus, het maakt niet uit. En het geeft ook niet als ik iets doe dat heel veel andere mensen al lang hebben gedaan. Als het voor mij maar nieuw is. Dat is het plan, dat ga ik doen. Waarom? Omdat ik zin heb om mezelf 52 keer te (laten) verrassen. En dan kijken wat er gebeurt. En ook omdat 'Elke Week Iets Bekends' een stuk saaier zou zijn...
De spelregels: grote en kleinere nieuwe dingen wisselen elkaar af. Niet volgens een vast patroon, maar zo dat er op den duur een balans ontstaat tussen ‘groots & meeslepend’ en ‘huis, tuin & keuken’. Sommige nieuwe dingen zijn gepland, andere niet. Allemaal goed, nieuw is nieuw. Sommige nieuwe dingen zijn leuk, andere niet. C'est la vie, nieuw is nieuw. Smokkelen mag niet. Geen verzinsels opschrijven dus, of dingen die ik drie jaar geleden al eens een keer voor het eerst heb gedaan. Nieuw moet ook echt nieuw zijn. En tot slot: dit project is een experiment. Daarom moet er zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Het geeft niet wat. Als het maar inspireert, prikkelt en vooral...nieuwsgierig maakt.
dinsdag 12 oktober 2010
week 8: down sizen
Ook nog nooit gedaan: kopje koffie met een meisje met Down. Of nou ja, meisje, ik schat haar een jaar of dertig. Is vaak moeilijk te zeggen. Maar haar moeder is erbij en die schat ik ergens midden zestig. Ik zit op een terras en er is nog maar één tafeltje bij het water. Bij de vissen. Die wil ze zien, het meisje. Maar ja, ik zit al aan dat tafeltje, en dus vraagt de moeder of het goed is als ze erbij komen. Tuurlijk. We kletsen een beetje. Over de vissen en over de cappuccino. Ik eet een tosti, het meisje een hazelnootgebakje met een platgeslagen chocolade eekhoorn er op. Die eekhoorn vindt ze niks, het gebakje gaat er aardig in. Ze zit in een rolstoel, er ligt een blauw dekentje op haar schoot. Moeder en dochter zijn allebei een beetje verlegen, dus ik dring niet aan en buig me weer over mijn krantje. Ik lees een ingezonden brief van een chronisch zieke jongen met een Wajong uitkering. Hij is bezorgd, nee, hij is boos over het feit dat die uitkering waarschijnlijk wordt weg bezuinigd door die kloeke nieuwe bestuurders met hun ferme wil. Als dat gebeurt, is de kans groot dat hij moet stoppen met zijn universitaire studie. Want hoe betaalt hij dan zijn dieet, de aanpassingen in zijn studentenkamer, zijn medicijnen, zijn vervoer naar de college zalen? Een bijbaantje nemen lukt niet en zijn ouders zijn niet rijk, schrijft hij. Zijn voorland: stoppen met studeren en in een sociale werkplaats fysiek werk gaan doen. Lekker dan, schrijft hij er bij, word ik nog zieker. Hij snapt heus wel dat we moeten bezuinigen, kaasschaven en down sizen, maar dit is te gek voor woorden. Hij is echt boos, deze jongen. Ondertussen is het hazelnootgebakje op. De dames vertrekken weer. Het meisje vertelt me nog dat ze het wel leuk vindt, terrassen, maar het duurt altijd zo lang. Interessante observatie. Het is een gedoe, met een rolstoel tussen alles en iedereen door. Ik schuif wat tafeltjes opzij en vraag of het lukt zo. ‘Ja hoor, we vinden wel een uitweg, zegt de moeder. ‘Hebben we altijd gedaan, toch?’ Ze knikt nog even en wenst mij een prettige dag. Zo zit het precies, realiseer ik me. Als je iets hebt moet je steeds vaker zelf maar zien dat je een uitweg vindt. Ik schuif de krant opzij en stop de chocolade eekhoorn in mijn mond. Het helpt niet. Deze nieuwe ontmoeting laat me zeker nog een uur zitten met een zeurend gevoel van downerigheid.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten