Elke Week Iets Nieuws
Mijn project: een jaar lang elke week iets nieuws doen. Iets dat ik nog nooit eerder heb gedaan, dus. Klein of groot, hilarisch of serieus, het maakt niet uit. En het geeft ook niet als ik iets doe dat heel veel andere mensen al lang hebben gedaan. Als het voor mij maar nieuw is. Dat is het plan, dat ga ik doen. Waarom? Omdat ik zin heb om mezelf 52 keer te (laten) verrassen. En dan kijken wat er gebeurt. En ook omdat 'Elke Week Iets Bekends' een stuk saaier zou zijn...
De spelregels: grote en kleinere nieuwe dingen wisselen elkaar af. Niet volgens een vast patroon, maar zo dat er op den duur een balans ontstaat tussen ‘groots & meeslepend’ en ‘huis, tuin & keuken’. Sommige nieuwe dingen zijn gepland, andere niet. Allemaal goed, nieuw is nieuw. Sommige nieuwe dingen zijn leuk, andere niet. C'est la vie, nieuw is nieuw. Smokkelen mag niet. Geen verzinsels opschrijven dus, of dingen die ik drie jaar geleden al eens een keer voor het eerst heb gedaan. Nieuw moet ook echt nieuw zijn. En tot slot: dit project is een experiment. Daarom moet er zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Het geeft niet wat. Als het maar inspireert, prikkelt en vooral...nieuwsgierig maakt.
dinsdag 3 mei 2011
week 25: blaas
Voor het eerst in mijn leven meegedaan aan een wedstrijdloop. Een estafetteloop, om precies te zijn. Dat is een wedstrijd die je met een groepje doet. Je knipt een marathon in zes stukjes, en iedereen doet dan één zo’n stukje. Gelukkig waren het zes ongelijke stukjes, dus ik hoefde maar 5,5 kilometer. Ik heb ontdekt dat ik best in staat ben 5,5, kilometer hard te lopen, ook als 5,5 eigenlijk 6 kilometer blijkt te zijn en het 27 graden is (en die zere knie, ach. Kniesoor, zeg ik). Tijdens de paar trainingsrondjes die ik deed voor mijn debuut als estafetteloopster had ik al ontdekt dat ik vaak moet plassen tijdens het rennen, ook als ik vlak daarvoor nog geweest ben. Rare blaas. En op de dag zelf kwam ik erachter dat iedereen heel zenuwachtig is voor de start. Misschien wisten ze dat bij de organisatie, en hadden ze er daarom van alles aan gedaan om het gezellig te maken op het knusse dorpspleintje waar ons startpunt was. Daar waren kraampjes neergezet waar je vers fruit en drinken kon halen, er hingen vlaggen en er speelde een dweilorkestje. Er was ook een chemisch toilet, met een lange rij lopers ervoor. Allemaal zenuwachtig, of ook een rare blaas. Of allebei. Na een tijdje nam het orkestje even pauze. En terwijl ik wachtte op mijn startmoment, kwam de trombonist naast mij staan. Met zijn vrouw en zoon. De vrouw en zoon waren dik, keken stuurs en aten patat. De trombonist was alleen dik. En groot. Ik vertelde hem dat ik het een super gaaf instrument vond, trombone. Dat vond hij ook. ‘Het is het mooiste instrument dat er bestaat’, zei hij glunderend. ‘Nou, dat valt wel mee hoor’, zei zijn vrouw. ‘Ik vind het een hoop herrie, dat geblaas op zo’n ding. Dat vind ik’. ‘O’, stamelde ik beduusd. ‘En als hij dan moet oefenen?’ ‘Dat doet ie godzijdank maar één keer per week’, antwoordde zij. ‘In het buurthuis hoor, niet thuis’, voegde hij er haastig aan toe. Ik keek naar de vrouw en de zoon met de patat en naar de grote dikke man met de trombone en voelde iets droevigs. Heel even maar. Toen moest ik starten. Ik begon te rennen en moest meteen.
donderdag 21 april 2011
week 24: tegenpolen
Wat weet ik van polen? Niet zo veel. Dat ze goed kunnen stucen voor weinig. Althans, dat geldt voor de polen die ik ken. En dat zijn er een stuk of drie. Het is ook niet zo dat ik ze goed ken, die drie. Ik ken ze van het achterwandje van mijn badkamer. Verder niet. Ik weet dus helemaal niks van polen. Onlangs was ik voor het eerst in mijn leven in Krakau. Daar stelde ik vast dat polen over het algemeen vriendelijk zijn en in voor een geintje. En ook dat ze, inderdaad, wist ik wel, nog altijd heel erg gek zijn op hun paus. De meeste polen die ik heb gezien kunnen stevig drinken en eten. Vooral dingen met veel brooddeeg en vlees, en dat dan in onwaarschijnlijk grote porties. Ze zijn ook best relaxt, leek mij. Zo klonk tijdens een busrit ineens een heel harde knal en bleek er iets goed mis te zijn met de rechter achterband. Waarop onze buschauffeur kalm stopte, uitstapte (gevolgd door drie grinnikende Poolse passagiers), even tegen de band schopte en vervolgens weer rustig doorreed. Dat zou bij ons vast anders gaan. Ik zie het alternatieve vervoer al voor me, in allerijl geregeld, mensen toch boos, files achter de bus, Standpunt NL en ga zo maar door. Maar het grootste contrast tussen polen en ons zit ‘m in het haar. Een poolse dame vertelde ons dat polen sowieso nooit met nat haar de deur uit gaan, omdat je dan kou kunt vatten. Bovendien vinden ze het stom en onverzorgd. Dat wij dat hier massaal wel doen (ben er zelf ook zeer goed in, net onder de douche uit, en hup, op de fiets of in de auto, met alle gevolgen van dien voor het kapsel), daar snappen ze niks van. En al die gel, dat is helemaal debiel, zo ging de poolse verder. Polen doen nooit gel in hun haar. Ik ging er er op letten, en verdomd. Nergens een kloddertje te bekennen. Polen vinden gel viezig en klef. Haren moeten droog zijn en wapperen. Ik zie een gouden Poolse carrière voor Hans Klok.
week 23: Lonnie (geschreven voor Nightwriters, en dat was nieuw)
Mijn oude combi-oven. Meeverhuisd vanaf mijn eerste studentenkamer. Hij moest eindelijk maar eens weg. Markplaats. Met de hoogst biedende mevrouw (onvoorstelbaar, wie wil dat ding nou hebben?), spreek ik af op de parkeerplaats van industrieterrein de Bromtol. Ik rijd erheen en voel een lichte opwinding: markplaatsen is nieuw voor mij. Ze belt, ze is er al. Ineens krijg ik het warm. Mijn oude combi-oven. Tientallen Lonnies (bestaan die nog?), pizza’s en kleffe ovenschotels heeft hij grootmoedig verwarmd in zijn vierkante buikje. En hij is niet eens stuk. Ik zie een beige Twingo. Zij staat ernaast en zwaait blij. Voor ik het weet, keer ik om en scheur weg. Ik durf niet in mijn achteruitkijkspiegel te kijken.
zaterdag 16 april 2011
week 22: bermgebed
Tanken, ergens op A16 bij Dordrecht. In de berm naast het benzinestation staat een meneer bij zijn auto. Vóór hem ligt een kleedje. Terwijl ik tank, zie ik hem prevelen. Hij knielt, buigt voorover en kust het kleedje. Ik zit inmiddels op 15 liter, hij staat op, blijft prevelen en knielt dan weer. Volledige concentratie, terwijl de file voorbij glijdt en er verbaasd wordt gekeken door automobilisten en mede-tankers. Ik ga betalen en loop terug naar mijn auto. De meneer is klaar en heeft iets te drinken gehaald. Ik vraag hem of hij aan het bidden was en hij knikt van ja. Best een stomme vraag eigenlijk, realiseer ik me. Duh. Het zag er niet bepaald uit als pottenbakken of free fighten, wat hij daar stond te doen in die berm. Maar goed, ik wist even niet zo gauw een openingszin, dat heb je soms. Lukt dat dan wel, hier, eh...zo?, informeer ik. Ja hoor, dat lukt prima, als je je maar goed naar het oosten richt. Bidt hij wel eens vaker op rare plaatsen? Uiteraard, is het antwoord. Als je vijf keer per dag wilt bidden moet je flexibel zijn. En als je dan bijvoorbeeld in een vliegtuig zit? Of in een bus? Geen punt, zegt de vriendelijke meneer, dan buig je gewoon wat minder ver voorover, is allemaal OK. Dus het gaat om de intentie? Yes!, zegt hij met een grote grijns en hij geeft mij een high five. Valt er nog enige lering te trekken uit dit verhaal? Geen idee. Behalve dan wellicht dat je met een berm dus blijkbaar meer kan dan er bommen in plaatsen of er in gaan zitten met een koelbox en een campingstoeltje. Ik zwaai nog even naar de meneer en sluit dan weer aan bij de file op de A16.
dinsdag 29 maart 2011
week 21: twitterbeest
Kunnen huisdieren eigenlijk ook twitteren? Geen idee, ga ik proberen. Sinds een paar dagen heeft onze Guus een eigen account en inmiddels al vier volgers (waarvan ik er zelf een ben, moet ik eerlijk bekennen. Je moet zo’n beestje toch een beetje in de gaten houden tenslotte). Volgens filosofe Stine Jensen is het wel oppassen geblazen, met al die sociale media en die honderden zogenaamde vrienden die je daar zomaar kunt hebben en die zich net zo makkelijk ineens tegen je kunnen keren. Ooit stortte ze zich als een dolle hond op Facebook, maar kennelijk is ze daar een paar keer flink van een koude sociale kermis thuis gekomen. Stine zit ook niet (meer?) op twitter, althans, ik kon haar niet vinden. Misschien vindt ze dat ook linke soep. Hoe dan ook, als Guus het niet meer leuk vindt, haal ik haar er gewoon weer van af. Maar tot die tijd mag ze van mij vrolijk rondscharrelen in haar virtuele wereldje. @MooiRoodBeessie. Aaien mag, voederen liever niet, ze is allergisch.
vrijdag 25 maart 2011
week 20: Billy Blue
Beroepshalve praat ik veel met mensen over wat hen zoal drijft in hun werkende leven. Boeiende gesprekken zijn dat vaak. Gaan meestal over veel meer dan alleen dat werkende leven. Pas geleden had ik ook weer zo’n gesprek. Met iemand die mij deed denken aan Betty Blue. Prachtige Franse film met de mooie Beatrice Dalle. Zij speelt een vrouw met een gevaarlijke passie en een flinke steek los. Ware zij daarvoor naar de huisarts gegaan (heeft ze niet gedaan), dan had hij die losse steek misschien gekwalificeerd als ADHD. Of manie. Of iets van dien aard. Degene met wie ik onlangs sprak had er ook last van. Verder leek hij niet zo op Betty/Beatrice (inderdaad, het gaat hier om een heer), maar omdat zijn verhaal me deed denken aan dat van Betty, noem ik hem vanaf onze eerste kennismaking in gedachten 'Billy Blue’. Billy lijkt op Betty. Een ongeremd enthousiasme voor van alles en nog wat, en soms ineens volledig door het lint gaan. Ik herinner me dat Betty in de film plotseling uit onmacht een vork in iemands arm steekt. Niet handig als die vork hoort bij het restaurant waar je werkt, en die arm bij iemand die daar rustig zit te eten. Betty werd ontslagen. Billy viel in vergaderingen zo vaak woedend uit tegen collega’s die hij domme dingen vond zeggen, dat ook hij uiteindelijk werd ontslagen. Ik had nog nooit een echte ontmoeting met iemand die zo nadrukkelijk niet past in onze fijne, aangeharkte, professionele wereld waarin je je vooral moet conformeren aan wat kennelijk normaal is. Billy is superslim en beresterk, maar niet ‘normaal’. Whatever that may be. Hij heeft me er veel over verteld. Bijvoorbeeld dat hij pas nog iemand had geslagen en dat hij soms vellen papier op zijn raam plakt met boze teksten erop. En dat hij heel hard werkt om dat soort dingen niet meer te doen. Want het is ook best eenzaam zo. Veel mensen haken af, zegt Billy. Toen ik opperde dat we na onze gesprekken wat mij betreft best contact konden houden, begon hij te stralen van oor tot oor. En zo valt dan toch te concluderen dat Billy in wezen een heel normaal mens is, voor wie alleen zijn en afscheid nemen behoren tot de meest pijnlijke dingen van het leven. Vond Betty Blue ook.
vrijdag 18 maart 2011
week 19: (ta)bak(van)fiets
De bakfiets. Je kent ‘m wel. Bereden door hippe moeders met leuke laarzen en King Louie jurken, of door hippe vaders met half lang haar en een papa-dag. Twee hippe blonde kinderen in de bak, boodschappen d’r bij en soms nog een los kind op de fiets ernaast. Ook in mijn stad wemelt het ervan. Ze zijn breed, ze blokkeren feitelijk het hele fietspad. Eigenlijk erger ik me rot aan die krengen. Ze zijn ook reteduur. Maar ja. Je moet wat, als gemiddeld hoog opgeleid tweeverdienend gezin in een betere buurt van een moderne stad. Ik heb zelf nog nooit op een bakfiets gereden. Me wel vaak afgevraagd of dat nou een beetje lekker fietst. Je zou denken van wel, want de gemiddelde hippe moeder of vader zit zeer zelfbewust op zo’n ding. Maar gisteren ontdekte ik de andere kant van het bakfiets-wezen. Het kwam namelijk bijna tot een botsing. Tussen mij en een jongen. Een jongen op een bakfiets. Ja, een jongen. Geen hippe moeder of vader dus. Hij kwam een bocht om zwieren en reed mij zowat omver. ‘O jeetje, sorry’, zei hij. ‘Ja, het is ook zo’n gedoe, zo’n bakfiets. Ik vind het helemaal niks’. Ik vroeg hem wat het gedoe dan precies was en hij zei: ‘nou, gewoon alles’. Na enig doorvragen bleek dat de jongen vond dat ie zwieberde en veel te zwaar was en veel te lomp en te groot. 'Ik kan er niet mee omgaan, het is niet te doen'. Tja. Daar hoor je dus nooit iemand over. Ja, een enkele keer zie je wel eens een zwetende moeder met vet haar, zwoegend tegen de wind in, maar meestal is het van: 'o, zo ideaal..echt, meid, ik zou niet meer anders willen'. De bakfiets is de nieuwe BMW, de buren hebben ‘m ook en hij staat zelfs in het Volkskrant Magazine, in het katern 'Spullen Die Je Moet Hebben'. Maar goed. Laat iedereen vooral z’n gang gaan. En het is vast ook enorm handig en zo. Toch denk ik nog wel eens aan hoe ik vroeger achterop zat bij mijn moeder. Zij had een Union. Een donkergroene. Ik hield haar stevig vast, armpjes om haar middel. Geen last van de wind, want haar rug zat ervoor. Da’s toch heel wat anders dan voor in zo’n bak, met een plastic zeiltje als het regent….daar zit je dan, als hip kind. Wel een fijn vrij uitzicht, maar die veilige rug ben je mooi kwijt.
Abonneren op:
Posts (Atom)