De spelregels: grote en kleinere nieuwe dingen wisselen elkaar af. Niet volgens een vast patroon, maar zo dat er op den duur een balans ontstaat tussen ‘groots & meeslepend’ en ‘huis, tuin & keuken’. Sommige nieuwe dingen zijn gepland, andere niet. Allemaal goed, nieuw is nieuw. Sommige nieuwe dingen zijn leuk, andere niet. C'est la vie, nieuw is nieuw. Smokkelen mag niet. Geen verzinsels opschrijven dus, of dingen die ik drie jaar geleden al eens een keer voor het eerst heb gedaan. Nieuw moet ook echt nieuw zijn. En tot slot: dit project is een experiment. Daarom moet er zo nu en dan iets geconcludeerd worden. Het geeft niet wat. Als het maar inspireert, prikkelt en vooral...nieuwsgierig maakt.

maandag 22 november 2010

Week 13: appeltaartmeisjes

Nieuw woord: appeltaartmeisjes. Ik heb het niet zelf verzonnen. Een appeltaartmeisje is een meisje dat naast haar moeder heeft gestaan toen die een appeltaart bakte. Het meisje heeft goed opgelet en beweert nu dat ze zelf ook heel goed appeltaarten kan bakken. Maar ze heeft het nog nooit gedaan. Met als gevolg dat ze in het hele appeltaarten-bak proces regelmatig in paniek raakt. O jee, het deeg klontert! Wat nu? Help, hij koekt aan! Getver, hij is veel te nat! (ja duh, logisch, je hebt er veel te veel appels in gedaan. Doos.) Dat idee. De uitvinder van het woord gebruikte het om een aantal van haar jongere collega’s te karakteriseren. Niet om te sarren of vilein te wezen, maar gewoon, omdat ze het even helemaal gehad had met die hysterische appeltaartmeisjes met hun zelfverzekerde buitenkant en substantieloze binnenwerk, en met elke keer weer die kwaad weggesmeten bak met deeg op moeten ruimen en dan toch zelf maar weer een appeltaart bakken. Want ze weg sturen, die opgewonden standjes met hun taart-gepruts, dat durft niemand. Zucht. Maar ja. Het kan nog veel erger. Er zijn namelijk ook appeltaartjongens. Ook wel koekenbakkers genoemd. Koekenbakkers bakken er zelf echt totaal niks van (in tegenstelling tot appeltaartmeisjes, die kunnen heus wel wat, alleen niet alles, en het probleem is dat ze dat zelf vaak niet doorhebben), maar ze zeggen wel tegen anderen hoe dat werkt, koekjes bakken. Koekenbakkers schreeuwen vaak nog net iets harder dan appeltaartmeisjes. Ze plassen ook in brievenbussen en gooien met emmers water. En daarna zeggen ze sorry en ik schaam me. En dan mogen ze blijven. Want zo werkt het kennelijk vaak, in het appeltaartenkoekenbakkers universum. Zucht.

Week 12: verweiden

Ooit meegedaan aan een Running Dinner? Ik ook niet. Maar we hadden het straatfeest, de buurtpicknick, de herfstwandeling en de midzomerborrel ook al overgeslagen. Qua buurtgebeuren zijn wij blijkbaar niet zo sterk. Of we zijn gewoon op vakantie of bij vrienden. Maar nu deed de straat dus een Running Dinner, en wij vonden dat we er niet meer omheen konden. Zullen we dan zeggen dat we liever geen hoofdgerecht willen?, probeerde ik nog. Nee, zei mijn geliefde gedecideerd. Meedoen is meedoen, we gaan geen voorbehoud maken. Aldus geschiedde. We gaven ons op en kregen het hoofdgerecht. Ik zal het even uitleggen: een Running Dinner, dat is dat je bij het ene huis een voorgerecht krijgt, gemaakt door de heer en/of mevrouw des huizes. Vervolgens nuttig je het hoofdgerecht bij nummer twee (wij dus), en het toetje weer ergens anders. Per gang heb je een uurtje, en je zit steeds aan tafel met vier andere rennende eetgangers. In onze straat deden er zo’n zestig mensen mee, dus het was een heel gedoe met Excel sheets en rekenmodellen om de boel rond te breien. Zeker omdat menigeen had aangegeven dit keer liever geen hoofdgerecht te willen doen (dit schrijf ik op als sneer naar mijn geliefde, en ook om aan te geven dat er in mijn straat dus ieder jaar zo’n Running Dinner plaats vindt, en er inmiddels al echte Running-Dinner-Diehards zijn. Die mogen dan ook wel een keertje een toetje doen in plaats van een prestigieus hoofdgerecht op een bedje van iets ingewikkelds). Maar goed, hoe het ook zij, het was eigenlijk best leuk. En dan doel ik nog niet eens op de ongelooflijke culinaire creaties die ons al rennend werden voorgezet -een uur is best kort-, vooral door de mannen (wat is dat toch, mannen en koken? Kunstwerken van oesters, pata negra van een speciaal mannetje in ‘t Gooi, zelf gemaakte abdijkaas…pff! Allemaal overheerlijk, en toch denk ik onwillekeurig: relax mannen). Nee, ik bedoel vooral de nieuwe gezichten. Dat je erachter komt wie wie precies is. Of nou ja, precies…ongeveer dan, want het blijft kort, een uur. En toch kun je in een uur ontdekken dat iemand gewoon ontzettend aardig is. Of dat ze helemaal niet de zus van die en die is, zoals je steeds hebt gedacht. Of dat er in een weiland achter je straat Drentse heideschapen staan. En dat die verzorgd worden door de mensen uit je straat. Echt waar. Ze worden om de zoveel tijd verplaatst, die schapen. Van het ene naar het andere weitje. Verweiden noemen ze dat. Dan kunnen ze weer lekker vers gras grazen, en het is weer eens wat anders, zo’n nieuw weitje. Na afloop van het Running Dinner hebben we nog vrolijk nageborreld in de kroeg aan de overkant. Dat leverde nog meer nieuwe ontmoetingen op. De gedistingeerde oudere meneer van nummer 110, keurig beschonken en stilletjes meewiegend op de muziek. De lieve mevrouw van nummer 12, die zelf vilt maakt van de heideschapenwol. Het yuppenstel van nummer 146, dat dikke maatjes is met de oudere jongeren van nummer 150, die het huis al bewoonden toen het nog een commune was. Kom uit je huis en er gaat een wereld voor je open. Ik snap het wel, dat van die schapen. Zo af en toe verweiden doet je goed.